De strafrechtelijke immuniteit voor publiekrechtelijke rechtspersonen bestaat niet meer - Mathias Appel - CC by 2.0

De strafrechtelijke immuniteit voor publiekrechtelijke rechtspersonen bestaat niet meer

Op 30 juli 2018 trad een wet in werking die een einde stelt aan de strafrechtelijke immuniteit voor publiekrechtelijke rechtspersonen.

Het is de wet van 11 juli 2018 tot wijziging van het Strafwetboek (Sw) en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft (BS 20 juli 2018). Concreet wijzigde deze wet, in weerwil van zijn titel, uitsluitend de artikelen 5 en 7bis Sw.

Voortaan kunnen de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen en de lokale besturen in de brede zin van het woord voor de strafrechter gedaagd worden wanneer zij wederrechtelijke feiten gepleegd hebben. Meer bepaald kunnen zij, zoals de overige rechtspersonen, strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld “voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van [hun] doel of de waarneming van [hun] belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor [hun] rekening zijn gepleegd” (artikel 5, eerste lid Sw). Gezien de niet-retroactiviteit van de strafwet, dienen de feiten gepleegd te zijn na de inwerkingtreding van de wetswijzing, dus op 30 juli van dit jaar of nadien.

Met de recente wetswijziging verdween eveneens de zogenaamde decumulregel, bepaald in het voormalige tweede lid van artikel 5 Sw. Deze stelde dat wanneer een rechtspersoon uitsluitend verantwoordelijk werd gesteld wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, enkel degene die de zwaarste fout had begaan, veroordeeld kon worden. In de handhaving van het omgevingsrecht leidde deze bepaling er in de praktijk toe dat de parketten in dossiers waar een rechtspersoon als mogelijke overtreder naar voren kwam, als regel alle beklaagden vervolgden: de verdachte rechtspersoon zowel als alle verdachte natuurlijke personen. Het gewijzigde artikel 5 bepaalt voortaan: “De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen sluit die van de natuurlijke personen, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uit.” Een gezamenlijke vervolging van een gemeente en van één of meer van haar schepenen, behoort dus tot de mogelijkheden.

Toch behouden publiekrechtelijke rechtspersonen een aparte behandeling: oordeelt de strafrechter dat feiten en daderschap in hunnen hoofde bewezen zijn, kan hij enkel een eenvoudige schuldigverklaring uitspreken. Het gewijzigde artikel 7bis Sw formuleert dit nadrukkelijk als volgt: jegens hen “kan enkel, met uitsluiting van elke andere straf, de eenvoudige schuldigverklaring worden uitgesproken”. Een bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen die dank zij het misdrijf wederrechtelijk werden verworven (artikelen 42, 3° en 43bis Sw), bijvoorbeeld, is dus niet mogelijk. Er moet evenwel worden aangenomen dat, bijkomend bij de schuldigverklaring, een maatregel strekkende tot herstel wel kan worden opgelegd, bijvoorbeeld op grond van artikel 16.6.6 Decreet 1995 Algemene bepalingen milieubeleid dat de rechter de mogelijkheid biedt dit ambtshalve te doen.

De impact van deze wetswijziging op de publiekrechtelijke handhavingsstelsels van het omgevingsrecht (leefmilieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed), is aandacht waard. In het bijzonder valt te denken aan haar impact op de alternatieve bestuurlijke beboetingsstelsels die in de loop van de voorbije twintig jaar in deze materies zijn ingevoerd op gewestelijk en federaal niveau (o.m. Wet 1998 Productnormen). Zoals bekend, behoort in deze sanctiesystemen de sorteerbeslissing, de beslissing om de zaak strafrechtelijk te behandelen dan wel door te sturen naar het bestuur voor bestuurlijke beboeting, de procureur des Konings toe. De praktijk heeft uitgewezen dat de bestuurlijke beboetingsorganen hun bevoegdheid zeer actief gebruiken: zij beboeten daadwerkelijk. De vraag is hoe dit perspectief op concrete bestraffing af te wegen tegen een eenvoudige schuldigverklaring. De aanwezigheid in de zaak van een of meer burgerlijke partijen kan in deze een beslissingscriterium vormen. Het is immers zo dat bestuurlijke beboetingsprocedures geen plaats inruimen voor burgerlijke partijen. Dit comparatieve pluspunt van de strafrechtelijke afhandeling weegt des te meer door sedert het Cassatiearrest van 11 juni 2013 en het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 januari 2016 met nummer 2016/07. Het Cassatiearrest van 2013 stelde een einde aan de Eyckendael-doctrine en gaf aldus milieuverenigingen een ruime toegang tot de rechter. Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2016 bevestigde de mogelijkheid om milieuverenigingen een morele schadevergoeding toe te kennen die de symbolische euro overschrijdt.

Photo: Mathias Appel - CC by 2.0

Carole Billiet

door Carole Billiet

Gepubliceerd op

Verwante expertise