Franse Grondwettelijke Raad van 31 januari 2020 : het milieu vs vrijheid van ondernemen - Garry Knight, (CC BY 2.0)

Franse Grondwettelijke Raad van 31 januari 2020 : het milieu vs vrijheid van ondernemen

In die arrest, heeft de Grondwettelijke Raad verklaard dat de bescherming van het milieu, een gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid een doelstelling met grondwettelijke waarde vormt die schendingen van de vrijheid van ondernemen kan rechtvaardigen.

De Franse Grondwettelijke Raad kreeg op 7 november 2019 door de Raad van State een prioritaire grondwettigheidsvraag voorgelegd die als volgt luidde:

“het middel dat de Union des industries de la protection des plantes ontleent aan het feit dat het verbod op de productie, opslag en circulatie van fytofarmaceutische producten die actieve stoffen bevatten die niet goedgekeurd zijn door de Europese Unie om redenen met betrekking tot de bescherming van de menselijke of dierlijke gezondheid of het milieu voorzien door deze bepalingen de vrijheid van ondernemen kan schenden die wordt gegarandeerd door artikel 4 van de Verklaring van de rechten van de mens en de burger van 1789, doet een ernstige vraag rijzen. In die omstandigheden moet de aangevoerde prioritaire grondwettigheidsvraag naar de Grondwettelijke Raad worden verwezen.”

De verzoekende partij meent dat het door deze bepalingen ingestelde exportverbod van bepaalde fytofarmaceutische producten die actieve stoffen bevatten die niet goedgekeurd zijn door de Europese Unie vanwege de ernst van de gevolgen voor de productie- of exportondernemingen ingaat tegen de vrijheid van ondernemen. De vrijheid van ondernemen vloeit voort uit artikel 4 van de Verklaring van de rechten van de mens en de burger van 1789.

Een dergelijk verbod zou losstaan van de doelstelling om het milieu en de gezondheid te beschermen.

De Grondwettelijke Raad stelt eerst en vooral het wetgevingskader in zijn motiveringen 4 en 5:

Volgens de inleiding van het Charte de l'environnement: “zijn de toekomst en het bestaan van de mensheid onlosmakelijk verbonden met haar natuurlijke omgeving [...] is het milieu een gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid [...] moeten we in dezelfde mate streven naar de bescherming van het milieu als naar de andere fundamentele belangen van de Staat [...] mogen, om een duurzame ontwikkeling te verzekeren, de beslissingen die worden genomen om te beantwoorden aan de behoeften van het heden het vermogen van toekomstige generaties en andere naties om aan hun behoeften te voldoen niet in gevaar brengen”. Daaruit vloeit voort dat de bescherming van het milieu, een gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid, een doelstelling met grondwettelijke waarde vormt.

Volgens het elfde lid van de inleiding van de Franse Grondwet van 1946 “garandeert de Staat ieders (…) gezondheid te beschermen”. Daaruit vloeit voort dat de bescherming van de gezondheid een doelstelling met grondwettelijke waarde is.”

Diezelfde Raad wijst erop dat het de verantwoordelijkheid van de wetgever is om de genoemde doelstellingen te verzoenen met de uitoefening van het recht op ondernemen:

In de verordening van 21 oktober 2009 wordt bepaald dat fytofarmaceutische producten uitsluitend op de Europese markt mogen worden gebracht als de actieve stoffen die ze bevatten zijn goedgekeurd door de bevoegde instanties van de Europese Unie. Een dergelijke goedkeuring wordt met name geweigerd voor stoffen met schadelijke effecten voor de menselijke of dierlijke gezondheid of onaanvaardbare gevolgen voor het milieu.

De betwiste bepalingen verbieden de productie, opslag en circulatie in Frankrijk van fytofarmaceutische producten die actieve stoffen bevatten die vanwege dergelijke effecten niet goedgekeurd zijn door de Europese Unie. Ze belemmeren zo niet alleen de verkoop van dergelijke producten in Frankrijk, maar ook hun export.”

Een eerste vaststelling is dat de wetgever met de goedkeuring van die bepalingen eventuele schade aan de menselijke gezondheid en het milieu wenste te voorkomen die zou kunnen voortkomen uit de verspreiding van de actieve stoffen in de betreffende producten.

De tweede vaststelling onderstreept dat de wetgever, door de inwerkingtreding van het verbod op de productie, opslag en circulatie van fytofarmaceutische producten die niet-goedgekeurde actieve stoffen bevatten uit te stellen tot 1 januari 2022, de ondernemingen die eraan onderworpen zullen zijn een termijn van iets meer dan drie jaar heeft gegeven om hun activiteiten aan te passen.

De Franse Grondwettelijke Raad besluit met een bevestiging dat: “uit het voorgaande blijkt dat de wetgever, door de goedkeuring van de betwiste bepalingen, heeft gezorgd voor een niet noodzakelijk onevenwichtige verzoening tussen de vrijheid van ondernemen en de doelstellingen met grondwettelijke waarde om het milieu en de gezondheid te beschermen. Het middel ontleend aan de loochening van die vrijheid moet dus worden verworpen.”

Het is opmerkelijk dat na een afweging van de belangen de vrijheid van ondernemen blijkt te kunnen worden beperkt door doelstellingen met grondwettelijke waarde om het milieu te beschermen. De bescherming van het milieu, een gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid, vormt met andere woorden een doelstelling met grondwettelijke waarde die schendingen van de vrijheid van ondernemen kan rechtvaardigen.

Photo: Garry Knight, (CC BY 2.0)

Luc Depré

door Luc Depré

Gepubliceerd op