Onderscheid tussen  stedenbouwkundige misdrijven en stedenbouwkundige inbreuken - Alain Rouiller - CC by 2.0

Onderscheid tussen stedenbouwkundige misdrijven en stedenbouwkundige inbreuken

Een verdienste van het decreet van 25 april 2014 is een belangrijke depenalisering van vroegere stedenbouwmisdrijven die thans stedenbouwkundige inbreuken vormen.

Een verdienste van het decreet van 25 april 2014, dat belangrijke wijzigingen doorvoert aan Titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) met inwerkingtreding op 1 maart jl., is een belangrijke depenalisering van vroegere stedenbouwmisdrijven die thans stedenbouwkundige inbreuken vormen. Laatst vermelde worden met een exclusieve bestuurlijke geldboete gesanctioneerd, opgelegd door een beboetingsambtenaar. Hier is dus geen sprake van een penale bestraffing via tussenkomst van het openbaar ministerie en de strafrechter. Stedenbouwkundige misdrijven daarentegen kunnen strafrechtelijk worden afgehandeld dan wel worden bestraft met een alternatieve bestuurlijke geldboete. Het is het ene of het andere, naargelang de sorteerbeslissing van de procureur des Konings.

De stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken zijn limitatief opgesomd in de VCRO zelf, met name in de artikelen 6.2.1 en 6.2.2 VCRO. Het Decreet 1995 Algemene bepalingen milieubeleid, waar een onderscheid wordt gemaakt tussen milieumisdrijven en milieu-inbreuken, voorziet in een vangnetmechanisme dat inhoudt dat wat geen milieu-inbreuk is, een milieumisdrijf vormt. De VCRO voorziet niet in dergelijke vangnetregeling. Het is vooralsnog ook niet uitgesloten dat eenzelfde feit, bijvoorbeeld inzake ontbossing, een stedenbouwkundige inbreuk én een milieumisdrijf vormt, althans indien beide wetgevingen niet scrupuleus op mekaar zijn afgestemd. Het mag, hoe dan ook, niet de bedoeling zijn de overtreder dubbel te bestraffen.

De stedenbouwkundige misdrijven omvatten nog steeds, onder andere, het uitvoeren van vergunningsplichtige handelingen zonder vergunning of strijdig met de vergunning, en het verder uitvoeren van vergunningsplichtige handelingen na verval, schorsing of vernietiging van de vergunning. Zij zijn strafbaar met een geldboete van 26 euro tot maximaal 400.000 euro en/of een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar (artikel 6.2.1, aanhef VCRO). De bedragen van strafrechtelijke geldboeten zijn te vermeerderen met de strafrechtelijke opdeciemen, die thans een verhoging met een vermenigvuldigingsfactor 8 inhouden. Indien een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, is het bedrag maximaal 2.000.000 euro (6.2.13, §4 VCRO). Aanvankelijk voorzag de VCRO in een maximumboete van 400.000 euro, te vermeerderen met de strafrechtelijke opdeciemen (artikel 6.2.7, §1 VCRO). Bij wijzigingsdecreet van 8 juni 2018, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 juli 2018 en in werking sedert 12 juli 2018, werd de vermeerdering van de bestuurlijke geldboeten met de strafrechtelijke opdeciemen echter opgeheven en werd ervoor gekozen het verhoogde bedrag als zodanig in de wetgeving in te schrijven.

De stedenbouwkundige inbreuken betreffen gedepenaliseerde misdrijven en omvatten, onder andere, de miskenning van de stedenbouwkundige informatieplichten, de overtreding van de stedenbouwkundige meldingsplicht en de instandhouding van werken in ruimtelijk kwetsbare gebieden. Laatst vermeld voorbeeld toont aan dat de inbreuken niet beperkt zijn tot louter administratieve miskenningen van de regelgeving. De stedenbouwkundige inbreuken worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete van maximaal 400.000 euro (artikel 6.2.2, aanhef VCRO, zoals gewijzigd bij decreet van 8 juni 2018).

De hoogte van de bestuurlijke geldboete is afhankelijk van de ernst, frequentie en omstandigheden, die telkens in concreto worden beoordeeld.

Het feit dat stedenbouwkundige inbreuken voortaan vrij eenvoudig kunnen worden bestraft met een bestuurlijke geldboete kan de relatieve straffeloosheid van sommige van die inbreuken wegnemen en zou ervoor moeten zorgen dat de decretale verplichtingen beter worden nageleefd. Wel is het afwachten of het systeem van de exclusieve administratieve geldboete daadwerkelijk ingang gaat vinden in de praktijk. In de milieusanctioneringspraktijk blijken de bevoegde verbalisanten in slechts geringe mate te investeren in het formeel vaststellen van milieu-inbreuken in verslagen van vaststelling; de meer ernstige milieumisdrijven zijn hun (schaarse) tijd en middelen meer waard. Zo ontving de Afdeling Handhaving in 2017 slechts 161 verslagen van vaststelling aangaande milieu-inbreuken (tegenover 1.914 processen-verbaal van overtreding aangaande milieumisdrijven) (Milieuhandhavingsrapport 2017). Van de 18 raadpleegbare arresten van het Handhavingscollege (het vroegere Milieuhandhavingscollege), op 3 oktober 2018, hebben er slechts 2 betrekking op een exclusieve administratieve geldboete.

In het kader van de handhaving van de omgevingsvergunning behandelt het Handhavingscollege de beroepen tegen beslissingen in laatste aanleg over bestuurlijke geldboeten. Het Handhavingscollege kan de beslissing vernietigen, de boete verminderen, dan wel toepassing maken van de bestuurlijke lus, waarbij het bestuur een termijn krijgt voor het nemen van een herstelbeslissing. Op datum van onderhavige blog, werd in het overgrote deel van de arresten het beroep tegen de administratieve geldboete verworpen.

Photo: Alain Rouiller - CC by 2.0

Audrey Baeyens

door Audrey Baeyens

Gepubliceerd op

Verwante expertise