Zelfs een overheidsopdracht van beperkte waarde kan met succes voor de rechtbank worden betwist - Seth Stoll - CC by 2.0

Zelfs een overheidsopdracht van beperkte waarde kan met succes voor de rechtbank worden betwist

De kans dat een betwisting gebeurt is klein, maar niet onbestaand. Begin januari diende de Raad van State zich immers uit te spreken over een verzoekschrift tot schorsing van een gunningsbeslissing voor een overheidsopdracht van beperkte waarde.

Een overheidsopdracht van beperkte waarde (hierna 'OBW' genoemd) is een opdracht waarvan de waarde wordt geschat op minder dan 30.000 euro exclusief btw. Dergelijke opdrachten kunnen tot stand komen via een aanvaarde factuur en zijn onderworpen aan minder strikte vormvereisten, maar vallen niettemin binnen een juridisch kader.

Artikel 92 van de wet van 17 juni 2016 schrijft immers de regels voor die een aanbestedende overheid dient te respecteren bij het afsluiten van een dergelijk contract. Volgens de wettekst gaat het daarbij uitsluitend om

- de bepalingen van titel 1, met uitzondering van de artikelen 12 en 14; en

- de bepalingen inzake het personeel en materieel toepassingsgebied bedoeld in hoofdstuk 1 van titel 2.

In zijn arrest nr. 243.438 van 18 januari 2019 herinnert de Raad van State aan enkele principes die een aanbestedende overheid dient te respecteren bij de gunning van een dergelijke opdracht:

- De principes van gelijkheid, non-discriminatie, transparantie en proportionaliteit gelden eveneens bij overheidsopdrachten van beperkte waarde en houden in dat de aanbestedende overheid de economische spelers op gelijke voet dient te behandelen, zonder enige vorm van discriminatie, transparant en proportioneel.

- De wet van 17 juni 2013 inzake de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen is niet van toepassing.

- De gunningsbeslissing moet berusten op relevante en acceptabele gronden en moet formeel worden gemotiveerd volgens de voorschriften van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

Maar de Raad van State schorst de gunningsbeslissing in de eerste plaats omdat het administratieve dossier aantoont dat de prijsonderhandeling (het enige gunningscriterium van de opdracht) niet is gebeurd met alle inschrijvers, maar met slechts een van hen. Op basis van bovenstaande principes is de administratieve jurisdictie namelijk van oordeel dat – “uitgaande van het strikte respect van de procedurele gelijkheid tussen de inschrijvers – elk van deze inschrijvers dezelfde informatie dient te ontvangen om zijn offerte op te stellen en te verbeteren en over dezelfde mogelijkheden dient te beschikken om zijn offerte te verbeteren”. Ze beschouwt het middel dan ook als ernstig.

Met andere woorden: zelfs in het kader van een OBW dient een aanbestedende overheid met meer dan één economische speler te onderhandelen. Hoewel het arrest juridisch gegrond is, zou het de administratieve werklast voor de aanbestedende entiteiten kunnen verhogen. Hun gunningsbeslissing moet immers uitdrukkelijk worden gemotiveerd en ze moeten onderhandelen met alle kandidaten. In het uiterste geval zou het arrest ook de mogelijkheden tot onderhandeling voor dit type aanbestedingen kunnen beperken, om het risico zo klein mogelijk te houden – wat naar onze mening een betreurenswaardige evolutie zou zijn.

Zie : RvS nr. 243.438 d.d. 18 januari 2019


Photo: Seth Stoll - CC by 2.0

Christophe Dubois

door Christophe Dubois

Gepubliceerd op

Verwante expertise