Zijn de stedenbouwkundige overtredingen verdwenen in het Waalse gewest? - Gilles Douaire - CC by SA-2.0

Zijn de stedenbouwkundige overtredingen verdwenen in het Waalse gewest?

Sedert 1 juni 2017 en de inwerkingtreding van de Waalse CoDT (het “Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling" of “le Code du Développement Territorial”), is de aanpak van de stedenbouwkundige overtredingen in het Waalse gewest grondig herzien.

De CoDT voert verschillende mechanismen in die ertoe strekken deze materie te versoepelen zonder alle overtredingen te regulariseren.

Het eerste mechanisme is gericht op de depenalisering van de handelingen en werken uitgevoerd vóór 21 april 1962 (de datum van inwerkingtreding van de organieke wet van 26 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw).

Hiermee heeft de Waalse wetgever niets meer gedaan dan het opnemen in artikel C.VII.1 CoDT, van wat reeds gangbare praktijk was van de administratie en de hoven en rechtbanken. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 1962 was het regime van de overtredingen immers weinig ontwikkeld en de "instandhouding van onregelmatige werken" vormde geen overtreding.

Het tweede mechanisme is opgenomen in artikel D.VII. 1, §2, CoDT. Dit artikel voert een "verjaringsmechanisme" in voor alle "lichtere of niet-fundamentele overtredingen" tien jaar na de voltooiing van de werken. De betrokken lichte overtredingen zijn deze die voldoen aan de drie cumulatieve voorwaarden voorzien door artikel D.VII.1CoDT, namelijk:

· een voorwaarde van lokalisatie;

· de naleving van de bepalingen van de Gewestelijke stedenbouwkundige gids;

· de mogelijkheid om bijzondere situaties te rechtvaardigen;

Artikel D.VII.1, §2 voorziet immers het volgende:

"De instandhouding van de handelingen en werken zonder de vergunning die was vereist of met miskenning ervan maakt tien jaren na de voltooiing van de werken geen overtreding meer uit voor zover de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld worden:

1° de overtreding werd begaan:

a) ofwel in een op het gewestplan voor bebouwing bestemd gebied in de zin van artikel D.II.23, tweede lid;

b) ofwel in een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is dat ontsloten werd en dat betrekking heeft op één of verschillende bestemmingen bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23, tweede lid;

c) ofwel op bouwwerken, installaties en gebouwen of hun aanvullende en bijkomende inrichtingen, die voor de inwerkingtreding van het gewestplan bestonden, of waarvan de bestemming met het gebied overeenstemt, of waarvan de bestemming in afwijking van het gewestplan is toegestaan;

2° de in overtreding zijnde handelingen en werken stemmen overeen met de gewestelijke stedenbouwkundige gids;

3° de in overtreding zijnde handelingen en werken vervullen een van de volgende hypothesen:

a) in geval van niet-naleving van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning of bebouwingsvergunning, is de omvang van de verschillen kleiner dan twintig procent:

i) van de vergunde grondbezetting;

ii) van de vergunde goot- en nokhoogten;

iii) van de vergunde diepte;

iv) van het vergunde volume;

v) van de vergunde vloeroppervlakte;

vi) van de inplantingsparametersvan de bouwwerken;

vii) van de minimale of maximale afmeting van het perceel;

b) in geval van aanbouw van een luifel als uitbreiding van een vergunde landbouwloods voor zover:

i) de nokhoogte van de luifel kleiner is dan de goothoogte van de loods;

ii) de loods een dergelijke luifel op één enkele van zijn opgaande muren heeft;

iii) de luifel een maximale diepte heeft van zeven meter, gemeten vanaf de opgaande muur van de loods;

c) in geval van niet-naleving van de toegelaten openingen;

d) in geval van niet-naleving van de bij de stedenbouwkundige vergunningen vergunde kleurschakering.

De instandhouding van een woning opgericht zonder de vereiste vergunning maakt geen overtreding uit na de inwerkingtreding van de zonering als groen woongebied overeenkomstig artikel D.II.64”

Dit verjaringsmechanisme stelt evenwel moeilijkheden in geval van een betwisting vanwege de administratie, voornamelijk wat de derde voorwaarde betreft. In geval van betwisting moet de eigenaar van het litigieuze onroerend goed kunnen bewijzen dat de drie cumulatieve voorwaarden vervuld zijn.

Het derde mechanisme, dat in werking is getreden sedert 17 december 2017 (Decreet van de Waalse Regering van 16 november 2017 "tot wijziging van artikel D.IV.99 en Boek VII van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling met het oog op invoeging van een artikel D.VII.1bis strekkende tot invoering van een stedenbouwkundig conformiteitsvermoeden voor sommige overtredingen”), voert een "onweerlegbaar conformiteitsvermoeden" in voor bepaalde handelingen en werken uitgevoerd vóór 1 maart 1998.

Volgens de memorie van toelichting bij het decreet van 16 november 2017, "kunnen de overtredingen begaan vóór deze datum die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een proces-verbaal van vaststelling van een overtreding, worden beschouwd als niet belastend voor de goede plaatselijke ordening en als niet afbreuk doende aan het milieu". Het ingevoerde mechanisme vindt van rechtswege toepassing, zonder dat er bijzondere stappen moeten worden ondernomen, behoudens dat men zich dient te verzekeren van het bewijs van de datum waarop de litigieuze bouwwerken werden opgericht. De voorbereidende werkzaamheden preciseren eveneens dat de "handelingen en werken die van het vermoeden genieten, geen aanleiding mogen geven tot strafrechtelijke en/of burgerrechtelijke vervolgingen, niet het voorwerp mogen uitmaken van een proces-verbaal van vaststelling van een overtreding, of nog, van een transactie op basis van artikel D.VII.18 CoDT. Immers, voor zover er een vermoeden van een vergunning is, zijn de handelingen en werken niet langer strafbaar".

Dit mechanisme is belangrijk aangezien "(…) het in geval van een geschil, aan de overheid die een overtreding inroept, toekomt om met alle middelen van recht te bewijzen dat de litigieuze handelingen en werken niet kunnen genieten van het vermoeden door, bijvoorbeeld, de datum van de uitvoering van de betrokken werken aan te tonen."

Paragraaf 2 van artikel D.VII.1 bis - ingevoerd door het voormelde decreet van 16 november 2017 - somt echter zes gevallen op waar het conformiteitsvermoeden niet van toepassing is. Het geldt niet voor handelingen en werken:

  • die niet in overeenstemming zijn met de bestemming van het gebied van het gewestplan waarop ze zich bevinden, behalve als ze kunnen genieten van een afwijkingsstelsel op basis van hetzij de vigerende reglementering tijdens de uitvoering van de handelingen en werken, hetzij een latere reglementering die vóór 1 maart 1998 in werking is getreden;
  • die erin bestaan om één of meerdere woningen op te richten na 20 augustus 1994;
  • uitgevoerd binnen een site erkend bij of krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
  • uitgevoerd op een goed vallend onder een maatregel tot bescherming van het erfgoed;
  • die het voorwerp kunnen uitmaken van een tenlastelegging krachtens een andere bestuurlijke politie;
  • die het voorwerp hebben uitgemaakt van een proces-verbaal van vaststelling van de overtreding of van een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke uitspraak die voor 1 juni 2017 de niet-conformiteit vaststelt van de handelingen en werken met de regels van het recht van ruimtelijke ordening en stedenbouw.

Tot slot is er het vierde mechanisme dat zich toevoegt aan het onweerlegbaar vermoeden dat van toepassing is op de werken uitgevoerd vóór 1 maart 1998. Het Waalse Parlement heeft een mechanisme ingevoerd volgens hetwelk de instandhouding van handelingen en werken die zonder vergunning werden uitgevoerd - andere dan deze die uitgesloten zijn van het bovenvermelde mechanisme van het onweerlegbaar vermoeden - geen overtreding meer vormen na een termijn van twintig jaar na hun voltooiing. Dit mechanisme vertoont veel gelijkenissen met de invoering, in de Waalse wetgeving inzake ruimtelijke ordening, van een werkelijk algemeen verjaringsmechanisme van stedenbouwkundige overtredingen, waarbij de periode waar de inbreuk bestaat - onder voorbehoud van de voornoemde uitzonderingen - niet langer kan zijn dan 20 jaar.

Bovenstaande vier mechanismen moeten tevens worden gelezen samen met de herziene lijst van de handelingen en werken die sedert 1 juni 2017 worden vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning. Zelfs indien een proces-verbaal van vaststelling van een stedenbouwkundige overtreding werd opgesteld vóór de inwerkingtreding van de CoDT, zou de administratie een geldig transactievoorstel kunnen doen met het oog op de beëindiging van de overtreding en de regularisatie van de situatie.

Photo: Gilles Douaire - CC by SA-2.0

Louis Vansnick

door Louis Vansnick

Gepubliceerd op

Verwante expertise